Donkere Diepte en Herrijzen

Overweging zondag 28 mei  2017

Carel van Tulder

Ik begin met jullie  een overpeinzing voor te leggen waarmee ik deze overweging ook zal eindigen. Een en ander naar aanleiding van wat ik van  Marjon en Jan gekregen heb over de gesprekken van twee weken geleden. We hoorden hoe mensen van ons uit een diep  dal zijn gekomen;  door kinderen, door veel mensen, door een vriendin, uit eigen kracht of dat iemand door  zijn ziekte zelfs rijker is geworden…  De naam van de Onzienlijke wordt nergens in de aantekeningen  genoemd…

Mijn  overpeinzing is:
De kernvraag van iedere  gemeenschap, ook een geloofsgemeenschap,    is niet:   “Wat geloven we ( nog), maar  “vertrouw ik in de ander en in mijzelf, en in de toekomst van onze wereld”.    Misschien nog uitdrukkelijker: Hebben wij elkaar lief.

Pas later, veel later, kan een reflectie de gedachte bij iemand of een groep mensen doen opkomen: Er is een Kracht in ons waardoor wij elkaar tot steun kunnen zijn en het mens-onmogelijke toch mogelijk maken zelfs met verlies van eigen leven. Of zoiets.  Door de eeuwen heen hebben mensen dat denken niet losgelaten omdat zij  – zeggen ze – krachtens hun wezen niet anders kunnen. Of zoiets.

Wat wil dit voor mij zeggen in relatie tot geloven in meer strikte religieuze zin en in relatie tot een gemeenschap als de onze of van iedere geloofsgemeenschap.

Mag ik eerst uitgaan van wat de hele Schrift mij daarover zegt. De kern van alle verhalen over donkere dalen, wat staat voor  lijden, vernietiging van mensen, haat  in  de meest onmenselijke wereld tot op vandaag    is de oproep om ons te verlossen van iedere vorm van slavernij en onderdrukking. Het Boek Exodus is het begin van de bijbel. Het verhaal van Jezus is een vervolghoofdstuk.

Dat die bevrijding wordt gekoppeld aan een geloven in een Onzienlijke Kracht- waarvan de naam niet mag worden uitgesproken en geen enkele afbeelding gemaakt mag worden,-  is een tweede aspect. Daar kunnen mensen ook beter over zwijgen of zingen dan spreken met een volle mond. Het gaat om bevrijding allereerst. Het gaat om jezelf te kunnen worden, het gaat om elkaar. Van elkaar, van anderen. Dat is de opdracht tot op vandaag. Bevrijding uit elk systeem dat mensen klein houdt, onderdrukt en mensen tot slaven maakt. Bevrijding van systemen  van landen geregeerd door dicators en moordenaars, , van kerken die mensen als horige  kinderen willen houden, , van relaties thuis en op het werk..

Elke   godsdienstigheid  zal daarop moeten inspelen. . Elk geloven in een Onzienlijke macht is alleen te rechtvaardigen en te billijken  als die helpt om mensen te bevrijden. Het tegendeel van geloven is daarom niet atheisme of agnosticisme maar zelf-verafgoding., de hoogmoed om zichzelf boven een ander te verheffen en zich beter te wanen.  Zoals het tegendeel van liefde  narcisme is, een eigenliefde die een ander miskent en tot haat kan leiden.

Een bekend verhaal in het evangelie is daarom  die van de zogeheten ongelovige, maar wel barmhartige   Samaritaan die een zwaar gewonde man helpt. Tegenover hem de leviet en de priester die naar de synagoge gaan om de Eeuwige te eren en te bezingen. Zoiets als op zoek naar een verloren paradijs. Maar het verhaal zegt uitdrukkelijk: Liefde gaat voor godsdienstigheid. De wereld wordt niet gered door godsdienstigheid – ja eerder soms het tegendeel –  maar door barmhartigheid. Een tweede verhaal uit het evangelie is dat van  Mathheus waarin hij er op wijst dat wij geroepen zijn om elkaar van dienst te zijn, de armen, gevangenen, hongerigen allereerst. Zonder te weten dat we daarmee op het spoor staan van de Onzienlijke, zonder dat we goed doen omdat een  God dat vraagt. Het gaat om mensen. Dat is –  zoals er staat- : het laatste oordeel oftewel; dat is de kern, de hoogste norm,   waaraan we ons leven elke dag mogen toetsen.

Het is voor mij de drijfveer en reden , ook van onze OBM,  om elkaar ruimte te gunnen in wat we wel of niet over  de Onzienlijke  denken – maar elkaar blijven uitdagen om elkaar van dienst te zijn, om elkaar te ontmoeten, elkaar te respecteren en te eerbiedigen en de krant te leggen naast de Schrift.  Het is daarom helder dat wij in onze kring altijd nadruk leggen op wat ons verbindt, wat ons verzoent en meer geneigd mogen zijn om elkaar en de wereld van dienst te zijn. Verbinding, vertrouwen , respect voor elkaar bepaalt het laatste oordeel over onze kleine gemeenschap. Als wij en welke geloofsgemeenschap dan ook – hier bijeen zijn  om te vieren –  dan alleen als wij – in de symboliek van de liturgie- hier brood breken , om   door de week brood te zijn voor elkaar..

Als we hier de naam van de Onzienlijke uitspreken dan alleen als we die Naam zien als een oproep om elkaar lief te hebben en te bevrijden van alle haat.

Met een zekere regelmaat zeiden mensen vroeger – ja vroeger  vooral- “ik heb god niet nodig en helemaal niet de kerk:  Als we elkaar maar liefhebben.”

In mijn  oren werd zo’n uitspraak met het grootste gemak gezegd en het liefst met  een glas bier.   Ik ben het met die uitspraak overigens helemaal eens, alleen de manier waarop het gezegd wordt, – soms met een  dedain en afwijzing van elke vorm van geloven- irriteert mij . Want  liefhebben doe je niet zomaar. Vertrouwen is niet te koop . In een wereld waarin de homo homini lupus is, waarin de leugen regeert, waar de as van het kwaad overal te zien is, een bezeten wereld  dus, is liefde en vertrouwen niet en nooit vanzelfsprekend . Laat staan dat mensen elkaar bevrijden uit onderdrukking en elkaar van dienst zijn  om n iet.

De zelfmakende wereld is ten einde. Wellicht is dat een van de redenen dat mensen  hopen op een kracht die ze zelf niet kunnen maken en die machtiger is dan elk geweld. Een kracht die door de eeuwen heen geestkracht wordt genoemd en waar mensen  voor kunnen openstaan. Die kracht die in alle mensen kan werken en werkt. Die kracht om lief te hebben tegen de klippen op. Misschien is dat de reden dat mensen zeggen te geloven: niet uit angst of op hoop van beloning maar omdat ze krachtens hun wezen niet anders kunnen. Mensen die zeggen: van God weet ik niets maar wel wat mij te doen staat. Mensen die zeggen: ik geloof maar kom mijn ongeloof te hulp. Mensen die geloven in een Kracht die hen te boven gaat maar hen wel op weg houdt om goed te doen.

In alle uitspraken over ervaringen van diepte en opstaan wordt niet de naam genoemd van de Onzienlijke maar van mensen die elkaar helpen uit de put te kruipen of een kracht in zichzelf ervaren om door te zetten als het moeilijk  was. De Schrift zegt: je bent op de goede, juiste,  weg. Af en toe reflecteren mensen op die ervaringen en zeggen, stamelen: als jij er bent, dan toen en toen. Om daarna weer te zwijgen. Het is zelfs uiterst riskant om meteen bij die    ervaringen God te zeggen want je weet niet wat je zegt en je maakt de ervaring plat.

De kernvraag blijft: vertrouw ik een ander en mijzelf, zie ik toekomst voor een menswaardige wereld, of meer nadrukkelijk: Hebben wij elkaar lief.

 

 

een open gemeenschap van mensen, die de wereld kritisch wil benaderen vanuit de traditie van het christendom en die zorg wil hebben voor elkaar en voor anderen