Heden “Hosanna.” Morgen: “Kruisigt hem…”

Overdenking ds Ruud Foppen (Eijsden)
Palmpasen zondag 25 maart 2018 in de Cellebroederskapel

Er loopt een scheur door deze zondag, deze Palmpasenzondag. Nu we tegen Pasen lopen wordt de sfeer steeds meer tweeslachtig. Het is de zondag van het “Hosanna” aan de ene kant, en van het “kruisigt hem” aan de andere kant. Wat drijft Jezus? Waar worden mensen door aangestoken, als ze doorgaan, terwijl je weet dat het fout kan gaan? Laten we het noemen: solidariteit, met de opdracht die je in het leven voelt, solidariteit met de kleinen, de onderdrukten, met gerechtigheid, daar is het doel….

Het is precies dat verlangen dat Maria van Balen beschrijft – en dat Ank gelezen heeft – over dat landschap met die grens er dwars door heen, in de vorm van een hoog hek. Aan de ene kant dor als een woestijn, aan de andere kant sappig groen, de groene weiden die altijd aan de overkant zijn. Er zitten mensen op dat hek, ze willen van de dorre doodsheid naar het lokkende groen. Mijn buurman Jack reisde naar de Griekse vluchtelingenkampen, om daar voor de kinderen als clown op te treden. Als hij erover vertelt, wellen de tranen. De eindeloze stroom mensen, verlangend naar een gewoon gelukkig en geborgen leven. En dan het gevoel vergeten te zijn. Het is bijna niet te tillen zo zwaar. En dan ook die verschillende reacties die Maria beschrijft die we zo goed kennen: laat me met rust, mag ik hier nu niet even op vakantie zijn? Woedend, ik wil dit niet zien!

Zo nu en dan verlaat de Romeinse procurator Pilatus zijn aan de kust gelegen residentie in Caeserea. Hij reist het binnenland in, omhoog, om zijn intrek te nemen in het paleis te Jeruzalem. Die paleisburcht ligt pal tegen de tempel aangebouwd, het centrale heiligdom van de joden, en domineert het zelfs. Zo hebben Pilatus en zijn medewerkers een goed zicht op de ontwikkelingen in het hart van de stad. Pilatus en zijn mannen vormen de Romeinse bezetter en ze worden gehaat. Pilatus weet het en hij is op zijn hoede als er zich bijzondere omstandigheden voordoen, zoals nu. De joden vieren het Paasfeest. Van heinde en verre komen de pelgrims door de nauwe poorten de stad in. Twee uitermate lastige aspecten voor Pilatus, er is heel veel volk van buiten en de aard van het feest: het gedenken en vieren van de bevrijding uit de macht van een andere onderdrukker, eeuwen en eeuwen eerder: Egypte. Het feest van de uittocht, van de bevrijding uit dat gehate slavenland onder leiding van de grote Mozes. Het zijn dagen waarop de vlam in de pan kan slaan; waarop massahysterie zich kan keren tegen de Romeinen. Maar Pontius Pilatus, heeft een sterke troef: binnen het redelijke mag er een zekere eigenheid en zelfstandigheid zijn, als er maar belasting betaald wordt, als ze zich maar houden aan de Romeinse wetten, als de vazallen die door Rome zijn aangesteld – deze burgemeesters in oorlogstijd zoals koning Herodes – maar loyaal blijven aan het gezag en de macht van de Romeinen. Laat ze vooral zelf hun boontjes doppen, zeker in deze woelige tijden nu de protesten tegen de keizer hardop geuit worden, nu er vele joodse pelgrims in de stad zijn. Dit is elke keer weer een testcase: moeten we onze troepen inschakelen bij onrust, of kan Herodes het zelf aan?

Buiten de stadsmuren klinkt geroep. Zijn het de pelgrims die elkaar toeroepen? Is het pelgrimsgezang over Jeruzalem? Nee. Het lijkt wel gejuich. Ze roepen iemand toe. Waarachtig, ze hebben het over een koning: “Gezegend hij die komt als koning, in de naam van de Heer!” Wat is daar aan de hand? Een man op een jonge ezel, en ze maken een pad voor hem van kleren en ze verwelkomen hem met een hoop lawaai als een koning. Kijk, ze komen vanaf de Olijfberg, maar ze nemen duidelijk het pad naar de stadspoort. En als je beter luistert, blijken ze een vierregelig loflied te zingen, zoals we dat kennen uit Psalm 118: over een messiaanse koning, een redderkoning die vrede brengt. Wat mensen al niet kan bezielen, als ze Jeruzalem, de stad van de vrede binnentrekken. Net alsof een wensdroom werkelijkheid kan worden. Alsof deze eenvoudige verschijning op zijn ezel in staat zal zijn die gehate Romeinen te verjagen, zodat er weer vrijheid straalt, onafhankelijkheid, grootsheid. Zoals ooit, toen. Koning David, of Salomo, een grote bloeitijd van vrede en recht. Diep verstopt zit dat in de volksziel: een stad, een leven in vrede, voorspoed en veiligheid. Waar recht heerst, vrijheid, een plaats waar God wil wonen, een eeuwenoud visioen.

Maar nu is er armoede en honger. Mensen worden uitgebuit en zoals altijd zijn de zwaksten het slachtoffer. De Romeinse bezetter levert twijfelachtige politieke en militaire stabiliteit, maar moeten we het daar dan van hebben? Hoezo, stad van vrede? Zijn er steden in deze wereld, waar meer bloed gevloeid heeft dan in deze stad Jeruzalem? Waar joden, christenen en moslims elkaar naar het leven stonden en staan? Waar religieuze tolerantie een scheldwoord is en waar je zo ongeveer een verrader bent, als je op zoek zou gaan naar bruggen, herkenning, ontmoeting? Als Jezus even later de stad ziet liggen, dan springen de tranen hem in de ogen en hij wordt bevangen door een heftige gemoedstoestand, zo staat er. Hoe zal het ooit overbrugbaar worden, die afstand tussen de droom van vrede en de werkelijkheid van vandaag? En toch, daar, juist daar, daar moet het gebeuren. Juist daar moet iets zichtbaar worden van Gods droom.

Woedend is Maria, ik wil dit niet zien. Deze ellende, dit gevolg van oorlog, deze vuile bezwete mensen. Ze wil haar blik afwenden, maar dan, dan kijkt ze de vrouw op het hek aan. En dan, dan wordt ze ook de vrouw op dat hek die daar al uren en uren zit. Er is ontmoeting. De grenzen wijken. In het verhaal versmelten de twee: De schaamte en tranen van beide vrouwen vermengden zich. Er is het moment van elkaar zien en bereidheid de situatie van de ander volledig te erkennen. Geen vlucht meer. “Het menselijk contact, de toenadering, kan alleen gebeuren op de natuurlijke onzichtbare grenzen die er altijd zijn”. Op die grens ontmoeten ze elkaar: het passievolle lijden van de mensheid zoals dat in Jezus gestalte krijgt en het lichte vrolijke leven van de Palmtakken, de feestelijke intocht en de hoopvolle verwachting.

Intocht en passie: vanouds heeft deze zondag die twee kanten: van een vrolijke intrede, gezang en gezwaai met takken, zoals dat nog steeds door kinderen wordt vormgegeven met kleurige en vrolijke Palmpasenstokken, maar er is ook die andere kant: de basis van die vrolijkheid is het kruis. Palmpasen – met het rood van het feest – en Passiezondag – met het paars van stilte en inkeer. Dat is de spanning van deze zondag. Aan de ene kant dat grote verlangen naar warmte, geborgenheid, veiligheid, of met nog grotere woorden: vrede, vrijheid en recht, maar aan de andere kant de heftige realiteit: dat mensen elkaar naar het leven staan, dat belangen en posities zwaar wegen, dat vriendschap en trouw uitermate broos blijken, zoals ook dat in de lijdensverhalen van Jezus deze week wordt uitgewerkt en zoals we dat dagelijks in de krant lezen.

Palm- en Passiezondag. Heden hosanna, morgen kruisigt hem. Ze ontmoeten elkaar. Niet alleen op deze zondag, maar voortdurend in deze wereld en in ons eigen leven. Je legt jezelf soms een grens op: ik wil het niet zien! Maar intussen klopt het aan de achterdeur: die vervelende kwaal, de ouderdom, het onrecht dat mensen wordt aangedaan. We kunnen er niet omheen. De grens zal moeten worden overgestoken. Wie ziekte en tegenslag en onrecht uit de weg wil gaan, zal het geluk en het goede van het leven niet kennen, zo zei een inleider over geluk in het kader van Studium Generale.

Daarom kan het verhaal van Palmpasen ons helpen, en ook het verhaal van Maria over de twee vrouwen. Jezus gaat de confrontatie aan, hij ziet het kwaad, de dorre woestijn, de vergeten mensen. En omdat hij dat ziet, raakt het hem tot op het bot. Maar hij wijkt niet. Zoals Maria in de groene weide en Mirjam op het hek elkaar aankijken en van rol wisselen. Natuurlijk verlies je. Maar je wint ook. Het verzet, de angst, de verwarring en de schaamte, het verdwijnt, je komt er sterker uit. Daarin klinkt Pasen door: tenslotte, tenslotte heeft niet de angst en de dood het laatste woord, maar het leven dat gedragen wordt door de liefde. Dat blijft, ondanks alles. Amen

 

een open gemeenschap van mensen, die de wereld kritisch wil benaderen vanuit de traditie van het christendom en die zorg wil hebben voor elkaar en voor anderen